Het eiland Terschelling
Terschelling is het middelste Nederlandse Waddeneiland en is tevens, qua gemeente oppervlakte, de grootste van de 5 bewoonde eilanden. Met mooie brede stranden van zo'n kleine 30 kilometer lang, een kweldergebied die op de wereld erfgoedlijst staat, een uitgestrekt Waddenlandschap en één van de grootste duincomplexen van Nederland is Terschelling voor natuurliefhebbers de "place to be". Ook voor de doorsnee toerist is Terschelling een ware belevenis. Met haar ruim 70 kilometer aan fietspaden, de gezellige dorpjes maar ook de indrukwekkende rust op het eiland is voor iedereen een ware belevenis.
De geschiedenis van Terschelling gaat vele eeuwen terug. De Waddeneilanden zijn ontstaan door dekzanden van de Noordzee die onder invloed van de stijgende zeespiegel en de wind opgestuwd werden tot strandwallen; deze bewogen zich in de richting van het vasteland en kwamen na verloop van tijd ongeveer op hun huidige plaats te liggen. in de loop van de tijd ontwikkelden zich op de strandwallen lage oude duinen. De relatief lage strandwallen werden onderbroken door grote getijdengeulen, waarvan het Vlie, tussen Vlieland en Terschelling lange tijd de belangrijkste was. in de beschutting van de strandwallen hadden zich honderden jaren lang grote veengebieden ontwikkeld. Maar via de grote getijdengeulen stroomden deze veengebieden periodiek onder en werden overdekt met zeeklei; door de voortdurende aanvoer van zout water ontstond er ten zuiden van de strandwallen een “waddengebied”: een ondiep bassin met zoute getijdengebieden, zandbanken, kwelders en kreken. Eeuwenlang bleef hier een verlandings- en verveningproces nog doorgaan; de venige bodem is nog steeds te zien bij de Ans ten zuiden van Lies en bij de afkalvende rand van de Grië, ten oosten van Oosterend – en nog steeds spoelen brokken veen aan op het strand. Uit de restanten van de strandwallen en zandplaten ontstonden Waddeneilanden.
Al jaren lang bewoond Hoewel Terschelling al in de Romeinse tijd wordt aangeduid als Wexalia, dateren de oudste nederzettingen pas van na 800; de meeste ontstonden op Oude duinruggen inclusief Hee, Midsland, Landerum, Formerum, Lies en Hoorn. De hogere zandgronden rond de nederzetting werden als akkers in gebruik genomen, terwijl de lager gelegen kwelders buiten de akkerkaden dienden als gemeenschappelijke weidegronden. De geulen tussen de delen van de strandwallen en duinen zijn echter diverse malen verlegd door krachtige stormvloeden zoals de St. Hubertusvloed van 1287 en de St. Elisabethsvloed van 1421. Lager gelegen nederzettingen in het westen, Wolmerum en Stortum, zijn daardoor in de loop der eeuwen in zee verdwenen, terwijl ook Stattum en Schittrum verlaten werden; namen van straten en boerderijen herinneren er nog aan. Maar aan de oostzijde groeide het eiland en ontstond het dorp Oosterend.
Scheepvaart is altijd het belangrijkste geweest op Terschelling. met de opkomst van de Zuiderzeehavens groeide het belang van het Vlie als zeestraat naar de Noordzee. De Zuiderzeestad Kampen liet daarom rond 1323 een baken bouwen aan een natuurlijke baai nabij het huidige West-Terschelling. Dit baken werd later een vuurtoren die al spoedig als Brandaris bekend stond. Daarbij ontstond een ankerplaats (rede) die onder meer diende voor de aanvoer van vis voor de Zuiderzeeschee stapelmarkten (o.a. Harderwijk). Aldus ontstond West-Terschelling – het enige niet-agrarische dorp van het eiland - op een uitloper van de jonge duinen, onder controle van de Staten van Holland, dit vanwege het grote belang voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie. West profiteerde ook van de handel tussen de Hanzesteden in de Zuiderzee met Duitsland en de Oostzee – en later ook op Scandinavië, Duitsland, Engeland en Zuid-Europa. Tijdens de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog werd West-Terschelling door binnenvallende Engelse soldaten vrijwel geheel platgebrand; de meeste fraaie panden dateren dan ook van de jaren erna. Hierbij dienden de Hollandse steden als bouwkundig voorbeeld en Friese geeltjes (bakstenen) als bouwmateriaal. Pas in 1826 kon een echte haven worden aangelegd en werd Terschelling vestigingsplaats voor het Loodswezen (1835), de Kustwacht, de Vaarmarkeringsdienst en de zeevaartschool Willem Barentsz. De scheepvaart worden nu overigens vanuit de Brandaris gecoördineerd.
Toerisme is tegenwoordig de belangrijkste bron van inkomsten voor de Terschellingers. net als de rest van de Nederlandse kust is ook Terschelling vanaf 1960-’70 ingesprongen op het toerisme. Deels was dit een uitkomst voor marginale boerenbedrijven; de meeste boerderijen hebben nu een toeristische functie: op veel plaatsen ontwikkelden zich campings die herhaaldelijk uitbreidden. Een landschappelijk twijfelachtiger ontwikkeling was de wildgroei van meer en minder fraaie bungalows en appartementencomplexen bij West aan Zee, Midsland aan Zee en Formerum aan Zee (sinds de dertiger jaren) en het omzetten (verstening) van campingterreinen in bungalowparken. Vooral bij Oosterend vond een enorme uitbreiding plaats en ook de haven van West nam sterk in omvang toe als gevolg van het toerisme. Van oost naar west ligt er nu: de gemeentelijke haven in de Kom voor de reddingsbrigade en de lokale bergers, de rijkshaven voor de veerdienst, de Terschellinger vissersvloot, de Bruine Vloot (charterzeilschepen) en de recenter aangelegde passantenhaven in de Dellewalbaai.









